|
Het is goedkoper en winstgevender om buiten de stad te bouwen. En dat terwijl de
rest van de samenleving juist belang heeft bij bouwen in de stad.
Filedruk
Wat is dat maatschappelijk belang? Bouwen in de stad, ook voor de
middenklasse, versterkt het draagvlak voor voorzieningen, variërend van
winkels en scholen tot openbaar vervoer en bibliotheken. De stedelijke
publieke ruimte stijgt in waarde. De landelijke groene ruimte blijft
groen en open. En de filedruk neemt af. Dat laatste heeft het Ruimtelijk
Planbureau (RPB) onlangs nog bevestigd: elke woning in de bestaande
stad verlaagt de filedruk, elke woning daarbuiten verhoogt die. Hoe
dichter woningen bij een groot station staan, des te gunstiger het
effect. Dit geldt grosso modo ook voor banen: in het stadshart
bestrijden die files, aan de stadsrand verergeren ze die. Dat is dan ook
precies wat er gebeurt: juist de (te) goedkope terreinen aan de
stadsrand lokken steeds meer bedrijvigheid – niet alleen hindergevende
fabrieken, maar ook kantoren en dienstverleners, tot tandartsen aan toe.
Geen wonder, want gemeenten ontwikkelen als bezetenen nieuwe
bedrijventerreinen. Er dreigt een overaanbod van 45.000 hectare, hebben
we berekend. Het is veel beter om bedrijven ín de stad te houden.
Stedelijke vernieuwing zou daarom óók het opknappen (‘herstructureren’)
van verouderde bedrijventerreinen moeten behelzen.
Om de huidige achterstand in tien jaar in te lopen is een
investeringsimpuls van tenminste
€ 250 miljoen per jaar nodig, bovenop Winsemius’ investeringsbedragen (dec.
2006). Veel geld, maar het versterkt wel de stedelijke economie en helpt
het verkeersinfarct genezen. Winsemius zelf benadrukt dat in zijn
cijfers nog iets ontbreekt: de kosten van ‘grootschalig stedelijk groen’,
beleids-Nederlands voor parken in de stad, natuur net daarbuiten en
verbindingen voor mens en dier tussen die twee.
Het gaat om groen dat een hoge gebruikswaarde heeft voor zowel mens als
natuur – de tijden van nutteloos kijkgroen liggen achter ons. Hoopgevend
is dat de NVB (ontwikkelaars en bouwers) het belang van hoogwaardig
groen onderschrijft: ‘Goed voor de economie en goed voor vastgoed’, zei
voorzitter Jo Goossens vorige maand. Sterker nog, hij ziet ook de
financiële behoeften onder ogen: een deel van de winsten die
ontwikkelaars op nieuw bebouwde greenfield-locaties behalen, zullen in
de bestaande stad geïnvesteerd moeten worden, onder meer in groenaanleg.
Dat zo’n belangrijke partij de redelijkheid van dit soort verevening
onderschrijft, is goed nieuws. Wij denken daarbij aan een constructie
die de ontwikkeling van huizen en bedrijventerreinen buiten de bestaande
stad duurder maakt. Om het uitdijen af te remmen en om stedelijke
vernieuwing er deels mee te financieren.
Urgentie
De bouwwereld argumenteert graag dat de meeste mensen een eengezinshuis
met een tuintje aan de stadsrand willen. Maar willen ze dat nog steeds
als ze beseffen dat ze zo hun eigen files organiseren? Plus: de praktijk
wijst uit dat in slim ontworpen compacte stadswijken toch veel woningen
een eigen of collectieve tuin hebben. Vraag het de bewoners: ze hebben
het beste van twee werelden.
Mirjam de Rijk,
directeur van Stichting Natuur en Milieu, Utrecht
Gepubliceerd december 2006. Bron stichting Natuur en Milieu.
Bovenstaand is een samenvatting. Voor het gehele artikel:
http://www.kei-centrum.nl/view.cfm?page_id=1903&item_type=opinie&item_id=192 |